5. Stuurtechniek

Het sturen van een boot is meer dan alleen aan de touwtjes trekken van het roer. Het is een complex samenspel van het bepalen van de koers naar gelang van wind, stroming, omgeving en roeiers. Daarbij moet de stuur niet alleen het roer bedienen maar ook de roeiers aansturen. Dit aansturen gebeurt door een vaste set commando’s. In dit hoofdstuk worden de onderdelen van de stuurtechniek en bijbehorende commando’s besproken.

5.1 Buitenbrengen van de boot

Het gewicht van een roeiboot licht grofweg tussen de 20 (skiff) en 100 kilogram (acht). Het buitenbrengen van de boten zonder schade is een ploeginspanning. De stuur coördineerd dit van achter de boot.

Boten en riemen hebben elk hun eigen vaste plaats in de loods. De boten liggen in de stelling of op lage karretjes, wiegen genoemd. Gladde boten boten worden op de schouders  getild en paralel aan het vlot in het water gelegd. C-boten worden in de handen getild, over de punt van het vlot in het water gelegd en vervolgens langs het vlot getrokken.

Voordat de boten in het water worden gelegd worden eerst de riemen en eventueel het roer, losse bankjes, hoosblik, pikhaak etc. naar buiten gebracht. De riemen worden met de bladen naar voren getild. Riemen mogen met de manchet, de kraag en het handvat niet in het zand worden gelegd, de bolle kant van het blad wordt naar onderen gelegd. Bankjes worden met de wieltjes naar boven neergelegd.

5.1.1 Het buitenbrengen van gladde boten
Aan de boorden - De roei(st)ers stellen zich op bij een roeiplaats (tussen duw- en trekstang) met beide handen aan de boorden van de boot. Skiffs worden bij de boegbal en het voetenbord beetgepakt.

Tillen gelijk... nú - De boot wordt met beide handen aan de boorden tegelijk opgetild en iedereen stapt met de boot opzij. Hierbij wordt er op gelet dat de huid en de dollen bovenliggende schragen/boten niet raken!

Boven de hoofden… nú - De boot wordt boven de hoofden getild.

Rechter- of linkerschouder - De boot wordt schuin op de genoemde schouder genomen. De arm aan de genoemde schouder is gebogen, de andere arm gestrekt.

Naar buiten… nu  – De boot wordt naar het vlot gebracht.

Voor de buiken… nú - De boot wordt met één hand aan een spant en één hand aan het dichtst bij de roeier komende boord vastgepakt en kantelt langzaam voor de buiken. Alle roei(st)ers staan nu aan de landzijde van de boot en tillen deze op buikhoogte.

Overslagen waterzijde los – De overslagen aan waterzijde worden losgemaakt.

Tenen aan de rand - De roei(st)ers gaan voorzichtig naar voren en zetten een voet tot aan de rand van het vlot. De tenen mogen nooit oversteken.

In het water - De boot wordt nu zachtjes door alle roei(st)ers gelijktijdig op het water gelegd. Met één hand aan een spant en één hand aan het boord wordt de boot recht gehouden, zodat de huid en het vinnetje nooit de rand van het vlot raken.

Vervolgens wordt de boot door de stuur vastgehouden en de riemen in de boot gelegd.

5.1.2 Het buitenbrengen van C-boten:
Aan de boorden - De roei(st)ers stellen zich aan een zijde van de boot op ter hoogte van de wiegen.

Uitschuiven gelijk… nú – De boot wordt uit de stelling of met de wiegen onder de stelling vandaan geschoven.

Aan de boorden - De roei(st)ers stellen zich tegenover elkaar bij de voor- en achtersteven van de boot op met beide handen aan de boorden van de boot. De boot mag nooit worden getild aan diagonaallatten, slidings, voetenbord of riggers. Sommige boten hebben speciale handvatten om aan te tillen. Let ook op een goede tilwijze met gestrekte rug en vanuit de benen.

Tillen gelijk… nú - De boot wordt met beide handen aan de boorden van de wiegen of van de stelling opgetild en naar het midden van het gangpad gebracht. Hierbij wordt erop gelet dat de huid en de dollen andere boten of de stelling niet raken!

Naar buiten... nú - De boot wordt naar het vlot gebracht.

Draaien met de kiel over land/zee… nú - De boot wordt boven het vlot gedraaid met de kiel over het genoemde punt. Bijvoorbeeld: over “zee” (d.w.z. waterzijde) of “land”. De kiel wordt door de wind gedraaid omdat de open bovenkant veel wind vangt. Het boord dat het verst verwijderd is van het genoemde punt, wordt bovenlangs over het andere boord gedraaid. Let er daarbij op dat de riggers het vlot niet raken.

Neerzetten en kleppen los - De boot wordt voorzichtig op de kiel gezet en minstens twee roei(st)ers houden de boot op de kiel terwijl anderen de overslagen ("kleppen") op de dollen losmaken.

Aan de boorden - Iedereen pakt de boot weer vast.

Tillen gelijk… nú - De boot wordt opgetild.

Over de rol - De boot wordt rechtstandig en haaks op de rol gezet en daarover het water ingerold. De personen die de boot vooraan tillen begeleiden de boot zodat deze op de rol blijft liggen.

De stuur legt vervolgens de boot langs het vlot en houdt deze vast. De roeiers leggen de riemen in de boot. Vervolgens brengt de stuur het roertje aan.

Een wherry wordt op vergelijkbare wijze als de C-boten naar buiten gebracht maar hoeft, omdat ze op haar kiel in de loods ligt, uiteraard niet gedraait te worden en kan vanwege het stevige onderstel tot aan de loodsdeur gereden worden.

5.2 Instappen en wegvaren

Instappen doet de hele ploeg gelijktijdig. De stuur houdt de boot vast in het midden vast met één hand aan de boordrand voor de rigger en de andere op de dol, het gewicht van de stuur leunt op de dol. Hiermee kan hij de boot van het vlot afhouden zodat de huid en de riggers bij het instappen vrij blijven van het vlot en voorkomen dat de boot omslaat indien de roeiers hun gewicht over de kiel heen verplaatsten. Bij achten of minder lenige ploegen kunnen beide handen op de dol worden geplaatst.

Instappen gebeurt dan op commando van de stuur:

Klaarmaken om in te stappen - De roei(st)ers gaan bij de eigen roeiplaats bij de boot staan. De riem aan de waterzijde wordt met de kraag tegen de dol geduwd. Beide riemen worden met één hand vastgehouden. De andere hand steunt op de boordrand of op het vlot.

Instappen gelijk… één - De voet aan de bootzijde wordt op het opstapplankje geplaatst;

… twee - Het lichaamsgewicht wordt overgebracht op de voet die op het plankje staat en de tweede voet wordt naar het voetenbord gebracht waarbij been waarop men staat wordt gebogen;

… drie - Gaan zitten op het bankje en de voet van het instapplankje naar het voetenbord brengen.

Kleppen waterzijde dicht - De kleppen worden dichtgedraaid.

Het heeft de voorkeur om gelijk van het vlot te vertrekken en op het water te stellen zodat het vlot zo snel mogelijk vrij is voor andere boten en de boot tijdens het stellen niet tegen het vlot aanschuurt. De stuur stapt in (dit kan in wezen zonder aankondiging tenzij de roeiers niet op zitten te letten), kijkt om zich heen of hij/zij de ruimte heeft om te vertrekken en vraagt of de roeiers klaar zijn:

Eén klaar? … Twee klaar? Etc. - De roeiers geven met ja of nee aan of ze klaar zijn om te vertrekken.

Er zijn twee mogelijkheden om weg te varen: Afzetten langs het vlot of uitzetten langs het vlot. Uitzetten heeft als voordeel dat men sneller en met minder ruimte weg kan varen maar is instabieler omdat de boot tijdelijk op een kant rust en de riemen worden ingetrokken. Uitzetten tegen de wind in is bovendien lastig.

Afzetten langs het vlot – Alle roei(st)ers pakken met één hand het vlot vast en duwen de boot langs het vlot totdat de boot vrij licht.

Strijken wie strijken kan – Roeiers die de riemen vrij hebben van het vlot beginnen met strijken.

Of:

Uitzetten gelijk... nú - Alle roei(st)ers pakken met één hand het vlot vast en duwen op "nú" met kracht de boot af van het vlot. Daarna zetten zij de bladen aan de vlotzijde verticaal op de rand van het vlot en duwen zo de boot volledig vrij van het vlot.

5.3 Manoeuvreren

5.3.1 Halen
Om de boot in voorwaartse beweging te krijgen moeten de roeiers gaan halen. De haalbeweging dient gelijktijdig te beginnen. De stuur geeft dit aan:

Slagklaar maken – De roeiers in de inpik houding zitten met de bladen plat op het water.

Slagklaar – De roeiers draaien hun blad plat op het water.

Af – De roeiers beginnen aan hun haal.

Kracht
Tijdens het roeien kan er van kracht worden gewisseld. In de commando’s  hiervoor zijn veel variaties nodig. Bijvoorbeeld percentage van kracht, verschillende kracht in inpik en uitpik en opbouwen van kracht of tempo. De basis commondo’s van hard naar traag roeien zijn:

Strong… nú – De roei(st)ers roeien met 80 – 90% kracht, het tempo wordt meegenomen.

Medium… nú – 50% kracht.

Light… nú – Circa 25% kracht.

Spoelhaal… nú – Halen zonder kracht.

Hoogte
Ook de hoogte waarmee de bladen tijdens de recover boven het water worden gehouden kan worden gevarieerd:

Hoog scheren… nú - De riemen moeten tijdens het oprijden hoog boven het water worden gehouden. De bladen blijven horizontaal tot vlak voor de inpik. Dit commando wordt bijvoorbeeld gegeven indien (niet erg hoge) golven worden genomen

Slifferen… nú – De bladen worden vanuit de uitpik op het water gedraaid en scheren over het water tot aan de inpik. Hierdoor wordt de boot tijdens de recover in balans gehouden.

Normale haal… nú – De bladen worden tijdens de recover op de normale hoogte boven het water gehouden.

5.3.2 Strijken
Strijken gelijk… nú - De bladen met de bolle kant naar de achtersteven draaien en in het water zetten. Door tegen het handvat te duwen vaart de boot achteruit.

Strijken bak-/stuurboord… nú - Als hierboven, maar alleen met de bak- / stuurboordriem.

5.3.3 Sturen
Sturen kan met het roer of met de roeiers. Omdat sturen de balans in de boot verstoord en de vaart van het schip remt is het wenselijk zo weinig mogelijk te sturen. Door tijdens de haal te sturen wordt de balans minder verstoord. Echter, de werking van het roer is het grootst als er geen bladen meer in het water zijn, dus tijdens het oprijden van de roeiers kunnen forsere correcties gemaakt worden. Afhankelijk van de situatie, het boottype en de ervaring van de ploeg moet gekozen worden voor sturen tijdens de haal of sturen tijdens het oprijden.

Door de roeiers aan één kant (meer) kracht te laten zetten kan de boot ook bijgedraaid worden. Dit gaat als volgt:

Vanuit stilstand:
Halen bakboord/stuurboord – De roeiers halen alleen met de genoemde riem, het blad aan de andere kant houdt de balans op het water.

Varend:
Bakboord best – Met de bakboordriem wordt meer kracht gezet, met de stuurboordriem minder kracht.

Stuurboord sterk – De stuurboordriem wordt meer kracht gezet, met de stuurboordriem minder kracht.

Beide boorden gelijk - Met beide riemen wordt weer met evenveel kracht gehaald of gestreken.

“Bakboord best” en “Stuurboord sterk” zijn vaste combinaties die ten alle tijde in deze combinatie gebruikt moeten worden. Indien een roeier het eerste deel van het commando niet heeft gehoord weet hij vanwege “best” of “sterk” aan welk boord hij kracht moet zetten. Vanzelfsprekend kan er ook tijdens het strijken aan één kant meer kracht worden gezet, “halen” wordt in de bovenstaande commando’s dan vervangen door “strijken”.

5.3.4 Afremmen en stoppen
Voordat afgeremd en gestopt kan worden moet men eerst ophouden met roeien. Dit gaat met het volgende commando’s:

Laat… lopen – De roeiers maken de haal af en gaan in de ‘eerste stop’ zitten: het blad gekanteld, de handen nog bij het lichaam.

Door “laat” samen te laten vallen met de inpik en “lopen” met het eerste deel van de haal weet iedereen dat hij/zij aan het einde van de haal op moet houden met roeien. Het laten lopen voelt dan natuurlijk aan in tegenstelling tot wanneer het commando tijdens de recover wordt gegeven. Moeten we nog een haal of niet. Als de roei(st)ers strijken is een simpel bedankt genoeg.

Bedankt – De roeiers strekken hun armen en leggen de bladen plat op het water.

Vervolgens kan er afgeremd en gestopt worden:

Vastroeien -  De bladen worden met vrijwel gesterkte arm onder 45 graden gedraaid met de bolle kant tegen het water gedrukt waardoor de vaart afneemt;

Houden beide boorden - De bladen worden met vrijwel gestrekte armen met de bolle kant in het water gedrukt en geleidelijk rechtop gedraaid waardoor de boot stopt;

Stoppen - De bladen worden verticaal in het water gezet met de bolle zijde van het blad naar de achterpunt toe. De grote druk op het blad is slecht voor de riemen en dollen, waardoor dit commando alleen gebruikt mag worden bij een boot die (bijna) stil ligt, bijvoorbeeld als voorbereiding op rondmaken: stoppen aan bakboord (stuurboord).

Vastroeien, houden en stoppen kunnen ook worden gecombineerd met bakboord of stuurboord. De boot riemen worden dan alleen aan de betreffende kant in het water gezet, de andere kant scheert over het water heen. De boot draait dan gelijk in de richting waar gehouden wordt.

Noodstop
Indien een noodstop gemaakt moet worden is er geen tijd voor de opeenvolgende commando’s en worden ze in één keer gegeven:

Laat-lopen-en-houden-gelijk! - De roeihaal wordt terstond onderbroken en de bladen worden met de bolle kant in het water gedrukt en rechtop gedraaid Het omdraaien van het blad (zoals bij het commando “stoppen”) is bij een noodstop niet toegestaan, dit geeft bij hoge snelheden namelijk zoveel druk op het blad dat riemen, riggers of spanten kunnen breken en roeiers over boord kunnen slaan. Bovendien kost het draaien van het blad in deze (nood)situatie veel teveel tijd.

5.3.5 Ronden
Door om de beurt met het ene boord te strijken en het andere boor te halen kan op een klein oppervlak gedraait worden. Dit noemen we ronden:

Ronden over bak-/stuurboord - De roei(st)ers gaan in de uitpikhouding zitten en draaien hun blad van de genoemde zijde met de bolle kant naar de achterpunt (klaarzitten om te strijken).

… nú - Met de genoemde riem wordt gestreken met volledig oprijden. Eenmaal opgereden wordt met de andere riem een haal gemaakt. De bak- en stuurboordriem gaan dus beurtelings door het water.

De handen blijven bij elkaar. De riem die niet in het water is wordt boven het water meegenomen, tijdens de het halen is het handig om de inactieve riem iets achterover te kantelen.

5.4 Bijzondere omstandigheden

Tijdens het sturen kom je van alles tegen en zijn er verschillende invloeden op de boot. Het Gele Boekje geeft van deze situaties aan wat er met de boot gebeurt en hoe hierop gereageerd kan worden. De reactie is echter afhankelijk van de situatie op het water: hoe sterk is de stroming, staat er wind, is er scheepvaart of zijn er opstakels. Om hier goed mee om te kunnen gaan is ervaring nodig, Achtergrondinformatie en voorbeelden zijn te vinden in kribbigheden en het boekje Sturen bij Daventria.

5.4.1 Vernauwingen en lage doorgangen
Vernauwingen en/of lage doorgangen kunnen respectievelijk slippend en/of liggend genomen worden. De stuur kondigd de manouvre aan:

Slippen en liggen over vijf halen… 5… 4… 3… 2… Laat… lopen

Slippen beide boorden en liggen - De riemen worden aan het eind van de haal langszij de boot metde bladen plat op het water richting achterpunt gehouden. De riemen worden doorlopend vastgehouden in de hand en de roeiers gaan liggen.

Na het passeren van de doorgang volgt dan:

Uitbrengen… en pak weer op - De roeiers gaan rechtop zitten, de riemen worden weer uitgebracht en de roei(st)ers beginnen met halen op aangeven van de slag.

Slippen kan ook gedaan worden indien de stuur een obstakel over het hoofd heeft gezien en deze met de bladen dreigt te raken:

Slippen bak-/stuurboord nú – De roeiers laten lopen en leggen de riem aan het genoemde boord langs de boot.

Uitbrengen… en pak weer op.

5.4.2 Wind
Een roeiboot is windgevoelig, Met zijwind wordt de boot gemakkelijk zijwaards geblazen, dit wordt verlijeren genoemd. De kant waar de wind vandaan komt wordt de “hoge wal” genoemd, de kant waar de wind heen blaast de “lage wal”. Met zijwind gaat de boot niet de die kant op waar de boeg heenwijst maar verlijert zij naar de lage wal. Stuur daarom  regelmatig iets tegen de wind in om afstand van de wal te houden. Ook bij het stilliggen dient men voldoende ver van de lage wal af te blijven, draai desnoods de boeg iets tegen de wind in om sneller weg te kunnen komen. Bij sterke zijwind kan, indien de omstandigheden dit toelaat ervoor gekozen worden om onder de hoge wal te varen.

Op de IJssel kan de wind hinderlijke gevolgen hebben. Als de wind met de stroom van de rivier mee waait, is er niets aan de hand. Als hij er tegenin gaat ("wind-tegen-stroom") kunnen er 'staande golven' in de rivier ontstaan. Plotseling wordt het water wild, als een soort branding, terwijl er geen schip geweest is.

5.4.3 Stroming
Net als de wind beïnvloedt ook de stroming de koers van de boot. Het is daarom belangrijk om te weten hoe de stroming in de rivier zich gedraagd en hoe hiermee om kan worden gegaan.

In principe wil de stroming altijd rechtdoor totdat het ergens tegenaan loopt, bijvoorbeeld de buitenbocht of een krib. In de buitenbocht komt het water samen, kan geen kant meer op en er ontstaat een stroom naar beneden. Langs de bodem stroomt het water naar de binnenbocht en komt daar weer boven. Ook hier wil het water eigenlijk rechtdoor en steekt aan de oppervlakte weer over naar de buitenbocht. Op deze manier ontstaat een kurkertrekkerachtige beweging die zand afslaat aan de buitenbocht (snelstromend) en ditzelfde zand weer afzet in de binnenbocht.

Om deze zandafzettingen te beperken zijn de kribben bedacht. Hierdoor stroomt het water in de rivier extra snel, zand en rommel worden meegenomen zodat er voldoende diepgang voor de beroepsvaart blijft. Dit snelstromende water komt deels tegen de krib. Hierbij ontstaan twee stromingen: één zijwaarts richting het midden van de rivier en een keerstroom stroomopwaarts langs de wal (een “neer” genoemd).

Door de zijwaardse stroom ontstaan draaikolken. Door deze stroom en kolken wordt de boot eerst met de boeg en daarna met de achtersteven zijwaards geduwd. Als een boot langs een krib vaart moet men dus tegensturen om te voorkomen dat men midden op de rivier uitkomt. Gladde boten varen meestal net buiten de kolken omdat de zijwaartse beweging de balans verstoord.

De keerstroom wordt merkwaardigerwijs een "neer" genoemd. Er wordt zand afgezet in het water dat tussen de kribben minder snel stroomt. Hier is vaak de bodem zichtbaar. Eenzelfde fenomeen doet zich in de havenmond van Daventria voor. Bij normale waterhoogten is er niets te zien, bij laag water is vastlopen op een zandbank beslist mogelijk.

De sterkte van de stroom is op een rivier niet overal gelijk: in het midden stroomt het water harder dan dicht bij de wal. Op de IJssel is de stroming in het midden ongeveer vier kilometer per uur, langs de kribben één kilometer per uur en tussen de kribben min één kilometer per uur. Stroomafwaarts wordt dan ook vaak midden op de rivier geroeid, stroomopwaarts dichter bij de kribben omdat met dan de meeste tegenstroom heeft. Indien men snel stroomopwaarts wil kan men ook gebruik maken van de neer door tussen de kribben gaan varen. Dit wordt “kribbenbijten” genoemd.

5.4.4 Rondmaken op stromend water
De verschillen in stroomsnelheid zijn van invloed op het ronden. Als een boot dwars op de rivier ligt met de boeg naar het midden bevindt de boeg zich in snelstromend water en het hek in langzaam stromend water. De boeg wordt dan sneller stroomafwaarts geduwd en de boot draait stroomafwaarts. Van dit fenomeen kan handig gebruik gemaakt worden bij rondmaken.

Stroom op varend gaat dat als volgt. Blijf bij de aangehouden wal, laat lopen, stuur de boeg richting het midden en laat houden aan de rivierzijde. De stroom helpt nu sterk mee bij het rondmaken. Door eerst tussen de kribben te gaan varen en daarna de boeg vlak voor de boeg in de zijwaartse stroming te steken wordt het effect nog eens versterkt: de boeg zit nu immers in stromend water en het roer in de neer.

Stroom af varend is het makkelijker om eerst over te steken: stuur met een grote bocht de boeg richting de overkant. Laat enkele lengten van de wal lopen en houden aan de kant waar de stroming vandaan komt. De stroom zet dan het achterschip rond. Ook hier kan gebruik worden gemaakt van de kribben: door de boeg net stroomafwaarts van de krib in de neer te steken wordt het schip sneller rondgezet. Deze manouvre kan zowel aan de eigen wal als de tegenoverliggende wal worden gemaakt.

5.4.5 Scheepvaart
Bij scheepvaart is het uiteraard belangrijk om een aanvaring te vermijden door op de juiste plaats te varen, een duidelijke koers te varen en uit de dode hoek te blijven.

Naast het risico op een aanvaring brengen ook de golven van motorschepen gevaar met zich mee. De golven kunnen naar binnenslaan waardoor de boot volloopt of een boot om laten slaan. Hoe met golven moet worden omgegaan is sterk afhankelijk van het type golf, de hoogte van de golf , het type boot, de ervaring van de roeiers en de ruimte die men heeft.

Er zijn twee typen golven: ronde golven (vooral door vrachtschepen) en scherpe golven (vooral door patrouille- en pleziervaartuigen). Vreemd genoeg hebben speedboten die over het water planeren vaak juist weinig golven, ook moderne vrachtboten maken weinig golven.

Ronde golven worden in principe paralel genomen, de golf tilt de boot op. Scherpe golven worden haaks genomen omdat deze onvoldoende draagkracht hebben om de boot als geheel op te tillen. De golf kan dan over het boord naar binnenslaan. Door haaks op de golf te gaan liggen is de lengte waarover het water naar binnen kan slaan kleiner, namelijk alleen de boeg (vaak voorzien van een waterkering) in plaats van de hele lengte van de boot.

De oever van de IJssel is op de meeste plaatsen glooiend waardoor de golven afdempen. Echter, bij de stad is een kademuur waardoor de golven terugkeren en zogenaamde kruisgolven ontstaan.

Bij hoge golven of kruisgolven is het verstandig om stil te gaan liggen. Bij lage golven of als de situatie stilliggen niet toestaat (b.v. stroming of wind) kan men ervoor kiezen om door te roeien waarbij golven haaks worden genomen.

Probeer altijd zoveel mogelijk ruimte tussen het motorschip en de roeiboot te krijgen door richting de wal te sturen. Op grotere afstand van het motorschip zijn de golven minder hoog. Pas echter op met stilliggen tussen de kribben, door de zuiging van grote schepen kan het water tussen de kribben weg worden gezogen waardoor de boot op de grond komt te liggen.

Het paseren van schepen en hun golven wordt in onderstaande afbeeldingen toegelicht.

Tegemoetkomend schip paralel:

Tegemoetkomend schip haaks:

Oplopend schip paralel:

Oplopend schip haaks:

5.4.6 Na hoogwater
Als het hoogwater is geweest drijft er veel rommel, vrijgekomen uit de uiterwaarden, op de rivier. De “vetergang” is dan heel praktisch. De stuurman stuurt licht slingerend over de IJssel om goed te kunnen zien wat er drijft en dit te kunnen ontwijken.

5.5 Aanleggen

Ongestuurde boten (bijv. skiff, 2x) liggen altijd met de boegbal ‘naar buiten’ in de loods. Gestuurde boten (bijv. C2+, C4+, 4x+) worden altijd met de boegbal ‘naar binnen’ op de stelling gelegd. Om draaien op het vlot te voorkomen, leggen ongestuurde nummers dan ook - bij voorkeur - strijkend aan en gestuurde boten halend.

Lukt het niet, gewoon opnieuw proberen. Neem altijd een lange aanloop zodat onderweg alvast duidelijk wordt wat het schip "doet". Er is dan nog voldoende gelegenheid de hoek van aanvaren zonodig te wijzigen. Overigens is het niet ‘verboden’ om hulp te vragen bij het aanleggen. Beter hulp gevraagd dan schade gevaren…

De manier van aanleggen is afhankelijk van de windrichting:

5.5.1 Aanleggen zonder wind
Om goed aan te leggen roeien we onder een hoek van circa 30 graden in een lichte haal naar het vlot, met de boeg gericht op die plaats waar de stuurplek moet komen te liggen (ongeveer eenderde van de punt van het vlot). Met een skiff kan een iets grotere hoek genomen worden, omdat een skiff gemakkelijk bijdraait.

Doorloop daarbij de volgende stappen:

Light paddle… nú – Om met lage snelheid het vlot te naderen. Indien nodig kan ook met spoelhaal geroeid worden.

Laat… lopen - Bij het naderen van de wal (vlot).

Riemen bak-/stuurboord hoog - De bladen aan de aangegeven (vlot) zijde worden van het water gehaald.

Overhellen naar bak-/stuurboord – De roeiers hellen met hun lichaamsgewicht over naar het aangegeven boord (waterwijde) zodat de bladen en de riggers boven het vlot uitkomen.

Houden bak-/stuurboord – Houden aan de waterzijde zodat de boot bijdraait. Eventueel kan met het roer mee- of juist tegengestuurd worden.

Wal grijpen en afhouden – De roeiers pakken de vlotrand beet en houden de boot af om te voorkomen dat de boot tegen het vlot aan schuurt.

Bedankt – De roeiers laten de bladen met de bolle kant naar beneden op het vlot zakken.

5.5.2 Aanlandige wind
Bij aanlandige wind wordt de boot richting het vlot geblazen. Om te voorkomen dat men tegen de kop van het vlot aanwaait heeft men ruimte (desnoods meters) nodig. Stuur daarom onder een kleine hoek (20 graden of desnoods paralel) richting de basis van het vlot, laat op tijd lopen en leg met houden de boot paralel aan het vlot. De wind doet de rest: de boot verlijert totdat hij tegen het vlot ligt.

Bij aanleggen met de wind in de rug kan de vaarsnelheid gauw te hoog worden. Laat in dat geval roeien met een spoelhaal en laat vroegtijdig lopen om brokken te voorkomen.

5.5.3 Aflandige wind
Aanleggen bij aflandige wind (= wind van vlot af) is gewoon moeilijk, zeker als er een stevige wind staat. De boot wordt van het vlot af geblazen, je moet dus de nodige snelheid hebben en op het laatste moment bijsturen om aan het vlot te raken. Het vereist veel concentratie, snel reageren en goede timing. Vertel de bemanning dus dat je tegen de wind in aan gaat leggen zodat ze op scherp staan.

Richt met normale haal de boot onder een hoek van 45 tot 50 graden op de hoek van het vlot. Laat, afhankelijk van de windsterkte op één lengte of minder laten lopen, de riemen aan vlotzijde hoog en vol van het vlot afsturen. Daarna "houden". Bij een juiste timing komt de boot precies naast het vlot te liggen. Laat de roeiers dan gelijk de wal grijpen voordat de boot weer van het vlot af verlijert.

5.5.4 Uitstappen
Bij gestuurde boten stapt de stuur als eerste uit en houdt de boot vast tussen de twee middelste roeiplekken net zoals bij het instappen. De roeiers handelen gelijk op de volgende commando’s:

Kleppen waterzijde los - De dolkleppen worden open gedraaid.

Klaarmaken om uit te stappen - De roei(st)ers maken hun voeten los, pakken de riemen met een hand vast en de boord/vlotmet de andere hand. De bladen liggen plat op het water/vlot.

Uitstappen gelijk ... één - De roei(st)ers zetten hun waterzijde voet op het opstapplankje;

...twee – De roei(st)ers gaanop de voet op het opstapplankje staan en de andere voet wordt op de wal geplaatst. Het lichaamsgewicht wordt overgebracht op deze voet;

...drie - De voet op het opstapplankje wordt op de wal gezet. Tegelijkertijd wordt de riem aan de waterzij- de meegetrokken uit de dol en op het boord neergelegd.

5.6 Binnenbrengen van de boot

Wanneer een boot veel water bevat, moet het water er eerst uit gehoosd worden. Een C-boot mag in zo'n geval NIET over de kiel op het vlot getrokken worden vanwege de grote kans op het breken van de kielbalk en daarmee van de hele boot. Bij het uittillen loopt het water naar achteren. Als de boeg dan naar beneden wordt gedrukt om de boot op het vlot te krijgen, kan er een breuk ontstaan in de kielbalk, op het scharnierpunt van de kiel met de vlotrand.

Net als bij het inleggen worden gladde boten paralel aan het vlot uit het water gehaald en C-boten via de rol/schuif aan de kop of basis van het vlot. Eerst worden de riemen en andere accesoires opgeborgen, dan worden de luchtkamers en luiken geopend en daarna wordt de boot uit het water gehaald.

Voordat de boot de loods in wordt gebracht, moeten de dollen zijn voorzien van de gele tennisballen, ter bescherming van de huid van andere boten. Boten die op de wiegen op de grond staan hoeven geen tennisballen te hebben.

Bij gladde boten:
Aan de boorden – De roeiers verdelen zich (op lengte) over de boot tussen de duw- en de trekstang en pakken de boordrand en de spant beet met het gezicht richting de boeg.

Tillen gelijk… nú – De boot wordt uit het water getild tot voor de buiken en ieder stapt met de boot van het water af. Hierbij mogen de huid en het vinnetje het vlot niet raken.

Boven de hoofden… nú – De boot wordt boven de hoofden getild.

Uitstappen naar land/zee vanaf boeg… nú – De roei(st)ers stappen om-en-om onder de boot vandaan, de boeg stapt naar de aangegeven kant, de twee naar de andere kant, de drie naar de aangegeven kant enzovoort.

Uitzakken gelijk... nú - Allen laten de boot tussen hen inzakken.

Op de schragen – De boot wordt op twee van tevoren klaargezette schragen gelegd, afgedroogd en de dollen worden dichtgedaan en voorzien van tennisballen.

Nu kan de boot afgedroogd worden, de kleppen vastgemaakt en de tennisballen op de dollen worden aangebracht.

Aan de boorden – De roei(st)ers verdelen zich weer om en om aan bak- en stuurboord.

Tillen gelijk… nú – De boot wordt opgetild.

Boven de hoofden… nú – De boot wordt boven de hoofden getild en de roeiers stappen eronder.

Rechter-/linkerschouder… nú – De roeiers laten het boord aan de genoemde kant zakken zodat de boot schuin komt te liggen. In principe ligt de kiel altijd aan de kant waar de wind vandaan komt.

Uitstappen richting land/zee… nú - Iedereen doet een paar stappen opzij om de schragen te ontwijken.

Naar binnen – De boot wordt naar binnen gedragen.

Inschuiven gelijk – De boot wordt in het rek gelegd. De stuur (die bij het hek van de boot meeloopt) let erop dat de boot niet de riggers van de bovenliggende boot raken. Hij kan hierbij aanwijzingen geven als (boegen) iets lager, schuin houden, door de knieen etc… Als de boot dusdanig hoog ligt dat de trapjes nodig zijn is het handig om de treeden mee te tellen.

Bij C-boten:
De boot wordt door de stuurman omgevaren zodat deze bij de rol komt te liggen. Houdt hierbij rekening met eventuele wind. Bij zijwind wordt het hek opzij geblazen, het kan dus handig zijn om deze extra, of juist niet, tegen de wind in te richten zodat bij het uithalen de boot recht komt te liggen.

Aan de boorden - De roei(st)ers stellen zich op aan het einde van het vlot aan weerszijden van de stuurman.

Over de rol… nú - De stuurman trekt de boeg over de rol, de roei(st)ers bij de boeg helpen hem en trekken aan weerskanten aan de boorden de boot over de rol. De roei(st)ers bij het hek zorgen ervoor dat de boot recht op z'n kiel en haaks op de rol blijft staan, zodat de boot niet naast de rol rijdt.

Tillen gelijk… nú - De boot wordt het laatste stuk van de rol getild.

Draaien met de kiel over land/zee ... nú - De boot wordt boven het vlot gedraaid met de kiel over het genoemde punt. Het boord dat het dichts bij het genoemde punt is, wordt bovenlangs over het andere boord gedraaid. Let er daarbij op dat de riggers het vlot niet raken.

Op de schragen... nú  - De boot wordt op twee van tevoren klaargezette schragen gelegd, afgedroogd en de dollen worden dichtgedaan en voorzien van tennisballen.

Aan de boorden – De roei(st)ers verdelen zich weer over de boorden.

Tillen gelijk... nú - De afgedroogde boot wordt van de schragen gelicht.

Uitstappen richting land/zee - Iedereen doet een paar stappen opzij om de schragen te ontwijken.

Naar binnen – De boot wordt naar binnen gedragen.

Inschuiven gelijk – De boot wordt in het rek gelegd. De stuur (die bij het hek van de boot meeloopt) let erop dat de boot niet de riggers van de bovenliggende boot raken.